Bij bibliotheken wordt alles anders, maar wat blijft?


Er zijn nogal wat trends en ontwikkelingen die openbare bibliotheken raken. Een kleine greep: vergrijzing, migratie, toenemende ongelijkheid, ontlezing, digitalisering, internet, apps voor alles, kunstmatige intelligentie, community gericht werken, co-creatie, meten van sociale impact, bezuinigingen. Het kan je soms moedeloos maken, maar meestal leidt het tot een energieke aanpak van de benodigde veranderingen, in de regel samengevat onder de noemer ‘transitie’. Bij al die veranderingen is het zinvol om ook stil te staan bij wat er niet verandert. Dat wat hetzelfde blijft vormt immers de kern van je bestaansrecht als openbare bibliotheek (verder: bibliotheek).

Voor het beantwoorden van de vraag ‘wat blijft bij alle veranderingen in de bibliotheken bestaan?’ kijk ik eerst naar wat eigenlijk een bibliotheek is en welke doelen een bibliotheek heeft. Vervolgens kies ik voor het beantwoorden van de vraag een bijzonder perspectief, namelijk de kleinste eenheid van interactie bij gebruik van een bibliotheek: wat gebeurt er wanneer één persoon contact maakt met de bibliotheek (dat kan tegenwoordig zowel fysiek als digitaal zijn).

Wat is een openbare bibliotheek?

Maar eerst: wat is eigenlijk een openbare bibliotheek? Over welke stad aanspraak kan maken op de eerste openbare bibliotheek in Nederland bestaat onenigheid: Was het Dordrecht, Utrecht of Haarlem, of toch Rotterdam? Die onenigheid heeft veel te maken met verschillende definities van wat een openbare bibliotheek is. Bij gebrek aan een officiële definitie van wat een openbare bibliotheek is, wordt veelal gebruik gemaakt van het opsommen van een aantal centrale kenmerken:

  • Er is sprake van een voorziening (gebouw, personeel, materialen) die informatie biedt in allerlei vormen
  • De informatie wordt toegankelijk gemaakt (met behulp van systemen en/of gerichte hulp)
  • De voorziening staat open voor iedereen
  • De voorziening wordt uit publieke middelen bekostigd
  • De informatie is zowel educatief als recreatief
  • Er is ruimte voor ontmoeting, leren en ontspannen.

Ik zou daar nog een kenmerk aan toe willen voegen dat niet voor iedereen tot de centrale kenmerken behoort, maar dat naar mijn idee een wezenlijke uitdrukking vormt van de verbondenheid van bibliotheken met de buurt waar ze deel van uitmaken:

  • Vrijwilligers spelen een belangrijke rol.

Deze kenmerken bieden veel ruimte voor de concrete invulling van een bibliotheek. Dat is ook te merken: er zijn op dit moment bibliotheken die onderdeel zijn van een cultureel centrum, die uitleen ondergeschikt hebben gemaakt aan programmatische activiteiten, die de ontmoetingsruimte hebben uitgebreid met kinderhoeken, jongerenruimten en makerspaces, om maar eens wat te noemen.

Die kenmerken van bibliotheken gaan vooral over de functies die ze vervullen. Om meer te weten over wat een bibliotheek is moeten we ook kijken naar de doelen die voor bibliotheken gelden.

Doelen van bibliotheken

De doelen die door de bibliotheken moeten worden bereikt zijn niet altijd expliciet opgenomen in statuten of in subsidie-eisen. In de discussies in het parlement bij de eerste wettelijke verankering van bibliotheken in 1850 in het Verenigd Koninkrijk speelt een bevoogdende houding ten opzichte van de nieuwe werkende klasse. Er is sprake van een trek van het platteland naar de steden en van landarbeid naar fabrieksarbeid. Landarbeiders kennen eigenlijk geen vrije tijd, fabrieksarbeiders hebben daar af en toe een beetje van. Die tijd moet natuurlijk niet leiden tot verkeerd of crimineel gedrag. Lezen leek daarvoor een goed alternatief. Behalve het nuttig besteden van tijd moest het bevorderen van lezen ook zorgen voor persoonlijke ontwikkeling en, meer algemeen, tot ‘verheffing van het volk’. Het is vanuit dat perspectief ook logisch dat de eerste bibliotheken vooral draaiden op giften van de gegoede burgerij. Een van de eerste openbare bibliotheken, de Boston Public Library had in haar statuten opgenomen:

  • Er is een sterke verbinding tussen kennis en de juiste manier van denken;
  • De toekomst van de democratie steunt op een geschoolde burgerij.

Ook bij de eerste bibliotheken in Nederland, begin vorige eeuw, zijn dergelijke sentimenten leidend. De leeszaal was misschien wel belangrijker dan de uitleen van boeken. In die zaal kon je kranten en tijdschriften lezen, maar er werd ook koffie geschonken en spelletjes gespeeld. Het hield de bezoekers letterlijk van de straat.

Spoelen we snel door naar Nederland in 2014. Dan krijgt het bibliotheekwerk een duidelijk houvast in de vorm van de Wet op het Stelsel van Openbare Bibliotheken. In die wet staan twee doelen:

bijdragen aan de persoonlijke ontwikkeling en verbetering van de maatschappelijke kansen van het algemene publiek. Dat is natuurlijk andere terminologie dan ‘verheffing van het volk’, maar die klinkt er nog wel degelijk in door. Ook moet de bibliotheek nog steeds zorgen voor de toegang tot informatie. Nu geformuleerd als ‘publieke toegangspoort tot informatie, educatie en cultuur’. De uitbreiding van de taken van de bibliotheek naar het digitaal domein zorgt natuurlijk voor veel veranderingen, maar in de kern gaat het nog steeds om het ontsluiten van informatie door te helpen met zoeken, beoordelen en toepassen van informatie. In de Memorie van toelichting op de WSOB staat het als volgt: “De taken van de openbare bibliotheek concentreren zich in het digitale domein op het publieksvriendelijk, gestructureerd en van context voorzien aanbieden van digitale vormen van informatie en cultuur met een toets op betrouwbaarheid, onafhankelijkheid, authenticiteit en pluriformiteit. Het vergroten van mediawijsheid is daar een onderdeel van.”

Wat blijft voor bibliotheken hetzelfde?

Om te beschrijven wat er bij alle veranderingen hetzelfde blijft in bibliotheken kies ik het perspectief van de kleinste vormen van interactie. Beter dan algemene termen als ‘bijdragen aan persoonlijke ontwikkeling’ laten momenten van concrete interactie zien waar het om ging bij bibliotheken en waar het nog steeds om gaat.

Het is een frisse novemberochtend in 1920. In een middelgrote stad in het westen van Nederland doet Johan de deur open van de gemeentelijke bibliotheek. Zoals meestal op zaterdagochtend slaat hij linksaf naar de leeszaal. Hij neemt plaats aan een van de tafels bij het raam en groet de man tegenover hem. Terwijl hij een sigaret zoekt in zijn jaszak buigt hij zich over voorpagina van zijn favoriete krant. In de straat waar hij woont is er niemand die zich een abonnement kan veroorloven en hier kan hij gratis verschillende kranten lezen.

Na Johan komt een vrouw de bibliotheek binnen. Aan haar hand heeft ze een dochter van een jaar of zes. Ze slaat rechts af naar de boekenzaal. Ze kijkt wat onzeker rond in de schaars verlichte zaal. Haar dochtertje kruipt tussen de plooien van haar rok. Nadat ze daar even heeft gestaan komt de bibliothecaris naar haar toe en vraagt waar hij haar mee kan helpen. De vrouw vertelt dat haar dochter ’s nachts vaak hoest. Ze wil graag meer weten over hoesten en waar dat van kan komen. De bibliothecaris knikt en neemt haar mee naar een plank met medische literatuur. Na wat heen en weer gepraat pakt hij een boek dat gaat over longen en longaandoeningen. Hij slaat het open en zoekt er even in. Dan laat hij haar een hoofdstuk zien met een plaatje van de longen. In het hoofdstuk daarna gaat het over oorzaken van ziekelijk hoesten. De vrouw knikt dat ze dat graag wil lenen en ze gaan samen daarvoor de administratie doen.

Ondertussen is er een wat oudere heer binnengekomen met twee boeken onder zijn arm die hij terug komt brengen. Nadat de vrouw weg is loopt hij op de bibliothecaris toe. Terwijl die de boeken aanneemt vertelt hij de bezoeker dat er tegenwoordig een leesclub is die iedere donderdagavond bij elkaar komt. Ze lezen en bespreken boeken vergelijkbaar met de boeken die de man terug komt brengen. De bezoeker kijkt vergenoegd en zegt dat hij graag bij de club geïntroduceerd wil worden.

We gaan nu over naar een regenachtige middag in januari 2020 (nog voor de Covid-19 pandemie inderdaad). De deur van de bibliotheek in een stad in het oosten van Nederland gaat open en een meisje van middelbare schoolleeftijd komt binnen. Ze zet haar koptelefoon even af om een aantal mensen in de bibliotheek te groeten en neemt dan plaats achter een van de schermen aan de tafel in de centrale hal. Geroutineerd logt ze in en opent Instagram. Na eventjes maakt ze het scherm klein en opent in de browser de site van haar school. Bij haar thuis heeft ze alleen een aftandse laptop en de internetprovider hebben haar ouders een paar maanden geleden opgezegd na de zoveelste prijsverhoging.

Tegenover het meisje gaat de deur open en er komt een man binnen met een blauwe envelop in zijn hand. Hij loopt naar de balie en vertelt dat hij hier vorig jaar ook is geweest voor hulp met het invullen van zijn belastingformulier. De vrijwilligster achter de balie legt uit dat hier tegenwoordig een spreekuur voor is op dinsdag- en donderdagavond. Ze geeft de man een kaartje waarop staat hoe laat en waar het spreekuur is. Terwijl de man wat aarzelend naar het kaartje kijkt voegt ze eraan toe: het is in de zaal hier recht achter en het begint om 8 uur. De man bedankt haar en vertrekt weer.

Bij de uitgang loopt hij langs een vrouw die binnenkomt. Ze blijft lang in de hal staan en zoekt met haar ogen door het gebouw. Een vrijwilligster komt bij haar langs en vraagt of ze haar kan helpen. In gebrekkig Nederlands krijgt ze te horen dat de vrouw een Poolse is en dat ze graag wil weten of er ook boeken in het Pools zijn in de bibliotheek. De vrijwilligster kijkt blij en vertelt dat ze weliswaar maar heel weinig Poolse boeken hebben, maar dat er vorige week een groepje is gevormd van Poolse vrouwen. Ze krijgen samen Nederlandse les op de bibliotheek, maar komen daarnaast ook bij elkaar voor de gezelligheid. De bezoekster zegt dat ze daarvoor te slecht in Nederlands, maar met enige moeite weet de vrijwilligster haar over te halen om toch een keer te komen kennismaken.

Als ik de bovenstaande contactmomenten samenvat, gaat het om drie diensten die de bibliotheek biedt die qua vorm sterk aan verandering onderhevig zijn, maar die in de kern gelijk blijven. Het gaat om:

  1. Toegang tot informatie en kennis
  2. Informatiehulp om informatie te vinden, selecteren, verwerken en gebruiken
  3. Organiseren van ontmoeting

Om deze blijvende diensten zichtbaar te maken volgt hier een denkbeeldige schematische plattegrond van een bibliotheek in 1920 en van een bibliotheek in 2020. De diensten zijn in de verschillende ruimten van de bibliotheek geplaatst. Op deze manier wordt zichtbaar dat de middelen en de ruimten kunnen verschillen, maar dat de drie genoemde kerndiensten blijven.

Informatievaardigheden

De dienst die wellicht het meest om toelichting vraagt is die van informatiehulp. Wanneer aan de primaire voorwaarden voldaan is om zelfstandig informatie te kunnen gebruiken (motivatie, basisvaardigheden, toegang) kan informatie worden gebruikt om individuele of collectieve vraagstukken uit het dagelijks leven aan te pakken. Daarvoor zijn informatievaardigheden nodig. Met als startpunt een probleem of vraag gaat het om de volgende vaardigheden:

  1. Zoeken naar informatie
  2. Selecteren (relevantie) en beoordelen (betrouwbaarheid) van informatie
  3. Verwerken van informatie (verbinden van gevonden informatie aan de startvraag)
  4. Presenteren van informatie / omzetten van informatie in gedrag.

Deze vaardigheden zijn opgenomen in de ruimten van de bibliotheek waar deze vaardigheden aan de orde zijn, zowel zelfstandig als met hulp. Daarmee is goed te zien dat hoewel de vorm kan verschillen de informatievaardigheden gelijk blijven in de loop van de tijd.

Verandering in perspectief

Het historisch perspectief werpt een ander licht op de transitie die bibliotheken doormaken. Zonder de bibliotheken uit het verleden tekort te willen doen, kunnen die gekenschetst worden als organisaties die de ontvangers waren van geletterde en gemotiveerde mensen op zoek naar informatie en/of sociaal vaardige mensen die op zoek zijn naar ontmoetingen. Vanuit dit perspectief bestaat (een deel van) de transitie waarin bibliotheken zich bevinden: proactief werken aan de voorwaarden voor het gebruik van informatie en voor waardevolle ontmoetingen. Die voorwaarden liggen zowel in het educatief domein (basisvaardigheden), als in het sociaal domein (community vorming). Met nieuwe partners in deze domeinen dragen bibliotheken bij aan de vaardigheden die nodig zijn om te kunnen functioneren in een informatiesamenleving en aan de sociale activiteiten die samenhang brengen in een buurt. Hieronder een schets van de transitie vanuit het historisch perspectief:

Gezien de vraagstelling van dit artikel ga ik niet in op alle vernieuwingen die bibliotheken in dit kader realiseren, met name het programmatisch aanbod gericht op basisvaardigheden, het versterken van zelfstandigheid en community-vorming. Voor een goed begrip van de waarde van bibliotheken is echter evenzo van belang de continuïteit van een aantal kerndiensten te benadrukken. Toegang, informatiehulp en ontmoeting zijn al lang bestaande diensten, die wel veranderen, maar niet verdwijnen door technologische ontwikkelingen. Zolang er mensen zijn en zolang er informatie is, is er behoefte aan een publieke voorziening om deze bij elkaar te brengen.

Leave a comment

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.